De Gazellefiets, de boete en het fietssleuteltje

  • Home
  • De Gazellefiets, de boete en het fietssleuteltje

Recente reacties

  1. Jaaaa herken het van mn vriedin.....Geweldig.Helpt dit ook bij vocht achter de longen of vuil in de nieren??

De Gazellefiets, de boete en het fietssleuteltje

Een beurs naar Scheveningen

Aan het begin van de jaren 2000 kreeg ik een beurs voor een studie aan The Hague International Hotel School. Die volledige beurs had ik niet te danken aan nachtenlang zwoegen op ingewikkelde wiskundige formules, maar aan een soort hemels privilege. De voormalige directeur van de campus, meneer Henk Wijn, had elk jaar de luxe om wereldwijd één persoon voor een volledige beurs te kiezen. Dankzij zijn aanbeveling, gecombineerd met een officiële brief van Frank Ong, de toenmalige Country Coordinator van PUM Nederland voor Indonesië, ging de poort naar Europa voor mij open.
Mijn campus lag in Scheveningen, de bekende badplaats van Den Haag, aan de Brusselaan. Zelf verbleven we in Skotel, een studentenhotel aan de Zwolsestraat dat door de campus werd beheerd. De afstand tussen ons verblijf en de campus was ongeveer 1,1 kilometer. In een rustig wandeltempo deed je daar een minuut of vijftien tot twintig over.
Elke ochtend en middag liepen we met alle studenten in een grote, gezellige groep naar de les, pratend en lachend. Natuurlijk gold deze idyllische sfeer alleen als we op tijd wakker werden. Mocht de wekker een keer weigeren, dan veranderde die wandeling direct in een olympische snelwandelwedstrijd vol zweet, zware ademhaling en pure paniek.

De mythe van de verlaten fiets

Als mensen die in Indonesië gewend waren om alles met gemotoriseerde voertuigen te doen, begon dat dagelijkse wandelen een romantisch verlangen in ons aan te wakkeren: we wilden een fiets. Tijdens een praatje in de kantine met een paar Nederlandse studenten, hoorden we een bijzonder feit. Volgens hen waren er in Nederland meer fietsen dan inwoners. En omdat er zoveel waren, hoorde het verhaal van een gestolen fiets simpelweg bij het dagelijks ontbijt.
Een lokale student deelde zelfs een wijsheid die ons logische verstand te boven ging: “Elke keer als je een fiets ziet staan die niet op slot zit, betekent dit dat de eigenaar hem heeft weggedaan of niet meer wil hebben. Dus, dan mag je hem gewoon meenemen!” Onze logica twijfelde, maar omdat dit informatie was van een “lokale expert”, steeg ons vertrouwen direct naar 90 procent. Een fatale misvatting die het begin zou worden van een internationale sitcom (situation comedy).

Vanaf die dag veranderde de dynamiek van onze wandelingen compleet. Onze blik was niet langer gericht op de schoonheid van de stad, maar scande wild de linker- en rechterkant van de weg, op jacht naar een niet-afgesloten fiets. Onder ons was Jezz het meest agressief. Onze Indiase vriend, die voorheen een paar hotels in Zambia (Afrika) had gerund, bezat een ongelooflijk jachtinstinct. Telkens als hij een verdachte fiets zag, sprong hij van de stoep, rende er naartoe en controleerde het achterwiel.
“Ah… op slot!” riep Jezz dan teleurgesteld. Hij verbaasde zich er telkens over hoe die oude, roestige fietsen waarvan de lak al afbladderde, vastgeketend zaten met gigantische, loodzware sloten. Soms was de diameter van de ketting dikker dan het frame van de fiets zelf, alsof het slot kostbaarder was dan het hele voertuig. Later liep het met Jezz trouwens minder goed af; hij belandde bij de dokter nadat hij zelf werd geschept door een voorbijrazende fietser.

De Gazelle uit Someren
Toen een senior expert van PUM hoorde dat ik nog langere tijd in Scheveningen zou studeren en elke dag te voet naar school ging, besloot hij mij te helpen met een vervoersoplossing. Zijn naam was Frans Van Eijk, een geweldige en vriendelijke meesterbakker die een familietraditie voortzette in een bakkerij die al meer dan honderd jaar bestond in het kleine Brabantse stadje Someren.
De afstand van Someren naar Scheveningen is niet mis, zo’n 170 kilometer. Maar om een buitenlandse student uit de brand te helpen, nam Frans de moeite om zijn schuur in te duiken, een oude GAZELLE-fiets op te duiken en deze eigenhandig helemaal op te knappen. Vervolgens laadde hij hem in de auto om hem persoonlijk bij mij af te leveren. Ik wist meteen dat ik een enorme ereschuld had uitstaan bij deze man.
Voor mij was die GAZELLE-fiets puur goud. Toen ik klein was in mijn Indonesische dorp, was dit merk een symbool van de absolute elite. Alleen aristocraten of rijke functionarissen bezaten er een. Als je op een Gazelle fietste, deed je dat automatisch met je borst vooruit van pure trots; het was gereserveerd voor speciale mensen. En nu had ik die elitefiets zomaar in handen, nota bene in het land van herkomst!
De komst van deze leenfiets veranderde mijn sociale status op de campus op slag. Zonder vervoer ben je in Nederland behoorlijk onthand, maar met deze Gazelle was ik de koning te rijk. Terwijl mijn klasgenoten uit alle windstreken met vermoeide benen liepen, fietste ik hen elegant voorbij. Zelfs de zoon van een emir uit Koeweit, de broer van een minister uit Mongolië en een rijke hotelondernemer uit Lima moesten gewoon lopen.

Dag één: glorie op twee wielen

De eerste dag dat ik officieel naar de campus fietste, was een moment van pure glorie. Die ochtend nam ik uitgebreid de tijd voor mijn ontbijt in het pension en dronk rustig een extra kop koffie. Ondertussen waren mijn klasgenoten in alle haast hun tassen aan het inpakken om aan hun dagelijkse mars van 20 minuten naar de Brusselaan te beginnen.
Nadat zij vertrokken waren, daalde ik gracieus af naar de keldergarage, haalde de Gazelle tevoorschijn en begon te trappen. Binnen een paar minuten haalde ik de groep wandelaars in. Terwijl ik ze passeerde, hield ik opzettelijk in, keek hen aan, stak mijn rechterhand hoog in de lucht en zwaaide met de meest plagerige glimlach die ik kon opbrengen. “Hoi jongens… Ik ben er alvast vandoor! Tot zo in de klas!” riep ik, terwijl ik wegsnelde en hen verbouwereerd op de stoep achterliet.
Tijdens de pauze brak er natuurlijk een storm van nieuwsgierigheid los. De les hotelmanagement veranderde in een massaal verhoor. Mijn klasgenoten dromden om mijn tafel alsof ik de nieuwste attractie was. Ze wilden allemaal weten hoe ik zo snel aan zo’n glimmende fiets kwam. Met een strak gezicht en op fluistertoon antwoordde ik: “Ik heb hem gestolen.”
Meteen explodeerde de klas. Felipe uit Peru keek me aan met een blik vol ontzag, alsof ik een moderne Robin Hood was, hoewel hij het jammer vond dat de fiets geen bagagedrager had zodat hij niet achterop kon springen. Aan de andere kant van de klas liet Tarun Bansal, de opvolger van een hoteldynastie in Jaipur (India), de meest dramatische reactie zien. Hij stond op en schudde zijn hoofd in die typische, snelle Indiase kwispelbeweging die deze keer pure ongeloof uitstraalde. “Onmogelijk, Tj! Dat geloof ik simpelweg niet!” riep hij uit.

Na de lessen besloot ik om niet direct terug te gaan naar Skotel, maar een grotere ronde te maken richting het strand van Scheveningen. Ik fietste door de Badhuisweg, geflankeerd door statige, klassieke Europese villa’s. Aan het einde van de weg doemde een legendarisch en monumentaal bouwwerk op: het Grand Hotel Amrâth Kurhaus. Dit hotel in klassieke paleisstijl werd tussen 1884 en 1885 gebouwd door de Duitse architecten Johann Friedrich Henkenhaf en Friedrich Ebert. Het verhaal gaat dat het hotel in 1886 volledig door een grote brand werd verwoest, maar in minder dan een jaar tijd weer compleet werd opgebouwd.

Ik bewonderde het indrukwekkende gebouw en reed vervolgens door naar de boulevard van Scheveningen. De namiddag in de zomer voelde magisch aan met de frisse zeewind. Terwijl ik van het uitzicht genoot, merkte ik iets vreemds op. Op de brede betonnen boulevard liepen ontzettend veel mensen met een fiets, maar werkelijk niemand zat op het zadel. Iedereen liep braaf met de fiets aan de hand.

Mijn eigenwijze Indonesische brein dacht meteen: “Wat zijn die Nederlanders toch apart. Ze hebben een prachtige fiets en het wegdek is perfect glad, maar ze lopen ermee te zeulen. Waarom neem je een fiets mee als je er toch alleen maar naast gaat lopen? Hahaha!” Vol zelfvertrouwen bleef ik dus lekker ontspannen doortrappen tussen de voetgangers.
Plotseling riep een jonge vrouw iets met luide stem in het Nederlands naar mij. Ik keek even om en zag dat ze met een boos gezicht in mijn richting wees. Omdat ik geen woord Nederlands begreep, dacht ik dat ze vast haar dag niet had, negeerde haar en fietste vrolijk verder.
Slechts een paar trappen later stapte er echter een stevig gebouwde, oudere man midden op het pad en spreidde zijn armen wijd om me te blokkeren. Mijn remmen gierden synchroon en ik kwam precies een centimeter voor zijn buik tot stilstand. Ik was verbaasd. Hij begon streng in het Nederlands tegen me te praten terwijl hij naar mijn fiets en het pad wees.
“Sorry meneer, ik spreek geen Nederlands,” onderbrak ik hem snel in het Engels.
“Je mag hier absoluut niet fietsen, dit is een voetgangerszone!” legde de man uit in vloeiend Engels. “Als de politie je hier betrapt, krijg je een ontzettend hoge boete!”
Bij het woord “boete” zonk de moed me direct in de schoenen; mijn studentenbudget flitste voor mijn ogen. Een enorme vlaag van schaamte overspoelde me toen ik besefte dat ík hier de grote dwaas was op de boulevard, en niet de Nederlanders die hun fiets netjes vasthielden. Ik stapte vliegensvlug van mijn zadel. “Hartelijk dank voor de informatie, meneer. Mijn oprechte excuses,” zei ik beleefd. De man stak zijn duim op en stapte opzij. De rest van de weg liep ik met het schaamrood op de kaken naast de Gazelle, terwijl ik mezelf beloofde voortaan beter op de verkeersborden te letten.

Dag twee: het geheim van het mini-verkeerslicht

De volgende dag verliep in het begin net zo voorspoedig. De rit naar de campus was heerlijk, maar binnen de schoolmuren had mijn leugen van de dag ervoor onbedoeld een soort ondergrondse verzetsbeweging veroorzaakt. Tijdens de lunchpauze was het een drukte van jewelste. Onder leiding van Jezz zocht een groep klasgenoten de fietsenstallingen rondom de campus af, in de hoop een fiets te vinden die niet op slot stond. Uiteraard vonden ze niets, want elke Nederlandse fiets zat muurvast met een loodzware ketting.

In de namiddag fietste ik een rondje door Scheveningen en bezocht het Westbroekpark. Wat een adembenemend mooi park, omringd door kleine vijvers en vol met prachtige, schaduwrijke bomen. Na het park fietste ik terug via de Zwolsestraat op het fietspad. Ik reed vlak achter een groepje van zo’n zes lokale fietsers.
Plotseling, zonder enige waarschuwing of handgebaar, kwamen ze allemaal tegelijkertijd abrupt tot stilstand. Ik moest noodgedwongen vol in de ankers, waardoor mijn banden luid piepend over het asfalt gleden. De weg was compleet leeg; er was geen auto te bekennen en er stak niemand over. Ik begreep er werkelijk niets van waarom ze daar stil bleven staan op hun trappers, starend naar de leegte. Omdat ik doodsbang was om het avondeten in Skotel te missen, begon ik langzaam rollend mijn fiets naar voren te duwen om dit vreemde clubje in te halen.
Toen hij het ongeduldige piepen van mijn remmen hoorde, draaide de fietser vlak voor mij zijn hoofd om. Hij keek me aan, zei geen woord, maar stak simpelweg zijn linkerwijsvinger omhoog richting de rechterkant van de weg.
Ik volgde zijn vinger en werd direct overvallen door een diepe golf van schaamte. Daar, op een kleine paal, hing een mini-verkeerslicht speciaal voor fietsers. En het stond op knalrood. In het Indonesië van die tijd bestond het concept van een apart verkeerslicht voor fietsers simpelweg tidak — niet — waardoor mijn ogen er compleet overheen hadden gekeken. Opnieuw beloofde ik mezelf in stilte om scherper te letten op de lokale verkeersregels.

Dag drie: Mei Ling en de Javaanse botsing

Op de derde dag begon de fietsenjacht op de campus zorgwekkende vormen aan te nemen door mijn sterke verhaal. Die ochtend kwam Mei Ling, een tenger meisje uit Guangzhou (China), met een uiterst nerveus gezicht naar me toe gelopen. Normaal gesproken praatte ze nauwelijks met ons, omdat ze zich altijd ophield in haar eigen Mandarijnsprekende bubbel. Maar nu fluisterde ze me geheimzinnig toe:
“Tj, waar kan ik hier een grote betonschaar kopen?”
Ik keek haar verbaasd aan. “Een betonschaar? Waar heb je die voor nodig? We kunnen er vast wel eentje lenen van de klusjesman van de campus.”
Met een rood hoofd van verlegenheid fluisterde ze zachtjes terug: “Er staat al dagen een roze damesfiets op de campus waar niemand naar omkijkt. Hij zit alleen vast met een heel dun kettinkje. Dus ik heb een schaar nodig om die ketting door te knippen.”
Mijn mond viel open van verbazing. Ze dacht serieus dat ik mijn prachtige Gazelle had bemachtigd door ‘s nachts sloten door te knippen. Ik had nooit kunnen vermoeden dat mijn grapje bijna zou leiden tot een internationaal misdaadcomplot op het schoolplein.

Die middag fietste ik terug via een lange, rustige weg van het strand naar ons verblijf. Ik had er flink de vaart in toen ik in de verte een fietser uit de tegenovergestelde richting zag naderen. Om hem netjes de ruimte te geven, hield ik in en stuurde ik strak naar de linkerkant van het fietspad, zodat we elkaar veilig konden passeren.
Maar hoe dichter we elkaar naderden, hoe groter de paniek werd. Ik reed al helemaal aan de linkerkant om beleefd te zijn, maar bizar genoeg stuurde de tegenligger exact naar dezelfde kant! Binnen een fractie van een seconde schoten we allebei in de stress, knepen de remmen vol in, en kwamen met de voorwielen letterlijk centimeters van elkaar tot stilstand. Ik hield mijn adem in en zette me schrap voor een flinke verbale ruzie.
De man voor me, dik ingepakt in een winterjas, keek me aan en opende zijn mond:
“Baru sampai ya, Mas?” (“Ben je net aangekomen broer?”)
Ik stond perplex. De legendarische woorden werden uitgesproken in vloeiend Indonesisch met een loodzwaar, herkenbaar Javaans accent.
“I… iya, Mas,” antwoordde ik stamelend. Al mijn adrenaline en boosheid verdwenen als sneeuw voor de zon.
“Pantes… Nou, dat verklaart een hoop. Het is hier anders dan in Indonesië, hoor. Hier moet je aan de RECHTERKANT van de weg fietsen, niet links,” legde hij uit met een milde, begrijpende glimlach.
Ik kon wel door de grond zakken van schaamte. In mijn poging om extreem hoffelijk te zijn, was ik compleet vergeten dat men in Nederland rechts rijdt, precies omgekeerd aan Indonesië. (Berusaha sopan di jalan sudah saya lakukan, tetapi aturan jalannya terbalik) — ik probeerde beleefd te zijn op de weg, maar de verkeersregels waren omgekeerd! We barstten allebei in lachen uit voordat we onze weg vervolgden. Die “Javaanse botsing” in Scheveningen brengt nog altijd een glimlach op mijn gezicht.

Toelichting foto: Felipe uit Peru; 3e van links, ikzelf TJ uit Indonesië; 4e van links, Nederlandse lokale student; 6e van links, Al Mula uit Koeweit; 7e van links, Tarun Banzal uit India; 11e van links en Jezz uit Zambia; 12e van links

Dag vier: instant karma

De vierde dag begon in alle rust, totdat ik afdaalde naar de keldergarage van Skotel om mijn trouwe tweewieler op te halen. De schrik sloeg me om het hart: de plek waar mijn Gazelle altijd stond, was volkomen leeg. De fiets was weg! Er lag geen doorgeknipte ketting, geen spoor van braak. Helemaal niets.
Met trillende benen rende ik naar de receptie om de diefstal te melden. In plaats van geschokt te reageren of medeleven te tonen, barstten de twee Nederlandse receptionisten achter de balie in lachen uit.

“Waarom lachen jullie nou? Kunnen we geen aangifte doen bij de politie?” protesteerde ik in paniek.

Terwijl hij zijn lach probeerde in te houden, vroeg de receptionist: “Je hebt zeker zo’n goedkoop hangslot gebruikt? Die knippen ze hier in een paar seconden open. Welkom in Nederland, Tj. Hier worden gemiddeld 236 fietsen per dag gestolen. Dat zijn er ongeveer negen per uur. Tenzij je fiets duur verzekerd is, heeft naar de politie gaan weinig zin. Je vindt hem waarschijnlijk nooit meer terug.”

Met een gebroken hart en diepe spijt was ik gedwongen om het hele stuk naar de campus te rennen. Volledig bezweet stapte ik de klas binnen, precies op het moment dat de docent ook naar binnen liep. Iedereen keek verbaasd naar mijn verwaarloosde verschijning. Deby, een gespierde klasgenoot uit Nepal die in de Verenigde Arabische Emiraten had gewerkt, fluisterde direct: “Wat is er met jou gebeurd, Bro?”

“Mijn fiets is gestolen,” antwoordde ik moedeloos.

Zodra Deby dat hoorde, sprong hij abrupt op uit zijn stoel en riep luidkeels door de hele collegezaal: “Ladies and gentlemen! Belangrijke mededeling: de ‘gestolen’ fiets van Tj is zojuist zélf gestolen!”

Meteen ontplofte de klas. Iedereen begon luid te applaudisseren, te juichen en te lachen. In hun ogen was de kosmische gerechtigheid hiermee rechtgezet. De stand was weer gelijk; we waren weer allemaal pejalan kaki — voetgangers. Midden in dat vrolijke lawaai kon ik aan maar één ding denken: hoe moest ik dit in hemelsnaam opbiechten aan Frans Van Eijk?

Een sleutel als souvenir

Ik had simpelweg de moed niet om Frans het slechte nieuws te vertellen. Maandenlang droeg ik dit schuldgevoel met me mee en werd ik saya pejalan kaki sejati — een echte voetganger. Totdat eindelijk de dag van de diploma-uitreiking aanbrak. Frans was helemaal vanuit Someren naar Den Haag gekomen om mijn succes te vieren.
Met lood in de schoenen liep ik op hem af. Ik stak mijn hand in mijn broekzak en haalde het enige tastbare object tevoorschijn dat nog over was: het kleine fietssleuteltje van de Gazelle. Ik overhandigde het hem met gebogen hoofd en bood mijn diepste excuses aan voor mijn onoplettendheid, waardoor zijn harde werk in een paar dagen was verdwenen.

Frans keek even stil naar het sleuteltje in zijn handpalm. Maar in plaats van boosheid of teleurstelling verscheen er een warme, gulle glimlach op zijn gezicht. Hij duwde mijn hand teder terug, zodat ik de sleutel weer sloot.

“Ach, laat maar zitten, Tj… neem die sleutel maar lekker mee en bewaar hem als een mooi souvenir,” zei Frans met een ongelooflijke vriendelijkheid.

De zware last die maandenlang op mijn schouders had gedrukt, viel in één klap van me af. Vandaag de dag ligt dat fietssleuteltje nog altijd veilig bij mij thuis. Het is het meest waardevolle, stille getuige van een hilarisch avontuur, omgekeerde verkeersregels en de onvoorwaardelijke warmte van een echte Nederlandse vriendschap.

Auteur: TJ (Medan)

Adinda

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *